Praktische wijnkennis
Wijnwoorden,
zonder poeha.
Korte definities waarmee je een etiket, proefnotitie of wijnkaart sneller begrijpt.
- Brut
- Een droge mousserende wijn. Brut zegt iets over de dosering na de tweede vergisting, niet automatisch over kwaliteit.
- Cuvée
- Letterlijk een partij of samenstelling. Het kan een blend zijn, maar ook simpelweg de naam van een specifieke botteling.
- Decanteren
- Wijn voorzichtig overschenken in een karaf. Bij oude wijn om bezinksel achter te laten; bij jonge wijn soms om extra lucht te geven.
- Droog
- De wijn bevat weinig waarneembare zoetheid. Rijp fruit kan een droge wijn toch zoet laten lijken.
- Houtgerijpt
- De wijn verbleef in houten vaten. Dat kan textuur en aroma’s als vanille, toast of specerijen geven, afhankelijk van vat, leeftijd en tijd.
- Jaargang
- Het jaar waarin de druiven zijn geoogst. Weer en rijping verschillen per jaar, maar producent en herkomst blijven minstens zo belangrijk.
- Mousse
- De belletjes en het mondgevoel van mousserende wijn. Fijn of romig beschrijft textuur, niet alleen de hoeveelheid koolzuur.
- Non-vintage (NV)
- Een wijn uit meerdere oogstjaren. Veel Champagne en andere bubbels gebruiken dit om een herkenbare huisstijl te bewaren.
- Tannine
- Een drogend, stroef gevoel uit schil, pit en soms hout. Tannine geeft structuur en kan zachter aanvoelen bij eten of rijping.
- Terroir
- Het samenspel van plek, bodem, klimaat en menselijk werk dat een wijn herkenbaar kan maken. Geen toverwoord, maar ook niet alleen grondsoort.
- Vinificatie
- Alles wat de wijnmaker na de oogst doet om druiven wijn te laten worden: persen, vergisten, rijpen, mengen en bottelen.
- Zuren
- De frisse ruggengraat van wijn. Zuur houdt fruit levendig en maakt wijn vaak prettig bij eten.