Praktische wijnkennis

Wijnwoorden,
zonder poeha.

Korte definities waarmee je een etiket, proefnotitie of wijnkaart sneller begrijpt.

Brut
Een droge mousserende wijn. Brut zegt iets over de dosering na de tweede vergisting, niet automatisch over kwaliteit.
Cuvée
Letterlijk een partij of samenstelling. Het kan een blend zijn, maar ook simpelweg de naam van een specifieke botteling.
Decanteren
Wijn voorzichtig overschenken in een karaf. Bij oude wijn om bezinksel achter te laten; bij jonge wijn soms om extra lucht te geven.
Droog
De wijn bevat weinig waarneembare zoetheid. Rijp fruit kan een droge wijn toch zoet laten lijken.
Houtgerijpt
De wijn verbleef in houten vaten. Dat kan textuur en aroma’s als vanille, toast of specerijen geven, afhankelijk van vat, leeftijd en tijd.
Jaargang
Het jaar waarin de druiven zijn geoogst. Weer en rijping verschillen per jaar, maar producent en herkomst blijven minstens zo belangrijk.
Mousse
De belletjes en het mondgevoel van mousserende wijn. Fijn of romig beschrijft textuur, niet alleen de hoeveelheid koolzuur.
Non-vintage (NV)
Een wijn uit meerdere oogstjaren. Veel Champagne en andere bubbels gebruiken dit om een herkenbare huisstijl te bewaren.
Tannine
Een drogend, stroef gevoel uit schil, pit en soms hout. Tannine geeft structuur en kan zachter aanvoelen bij eten of rijping.
Terroir
Het samenspel van plek, bodem, klimaat en menselijk werk dat een wijn herkenbaar kan maken. Geen toverwoord, maar ook niet alleen grondsoort.
Vinificatie
Alles wat de wijnmaker na de oogst doet om druiven wijn te laten worden: persen, vergisten, rijpen, mengen en bottelen.
Zuren
De frisse ruggengraat van wijn. Zuur houdt fruit levendig en maakt wijn vaak prettig bij eten.